De afgelopen weken werden we geconfronteerd met een massale vissterfte op de Oostvaardersplassen, redenen genoeg dus om toch eens te informeren naar oorzaak, een eventueel vervolg en de toekomstplannen voor dit gebied. De oorzaak was wel simpel te verzinnen: sinds enige tijd is men het waterpeil aan het verlagen om er een moerasgebied van te maken. Je kan er dan op wachten dat warmte, weinig diepte en (te) veel vis in relatie met minder overgebleven beschikbaar water geen goede combinatie is, het gevolg liet dan ook niet lang op zich wachten.

Maar wat is nou precies de bedoeling met dit gebied? Hieronder een uitleg die wij via het Waterschap hebben verkregen en of je er nou wél of niet blij mee bent, het verduidelijkt de gang van zaken aldaar in ieder geval wel.

 

Natura 2000-beheerplan voor de Oostvaardersplassen

De hoofddoelstelling van de Oostvaardersplassen is: “Het in stand houden en verder ontwikkelen van een natuurlijk, dynamisch moerassysteem met een hoge natuurwaarde als voortplantings- en verblijfsgebied van vrij levende moerasvogels en zoogdieren. Natuurlijke processen bepalen de structuur en patronen van dit gebied, die samen met die processen ruimte bieden aan planten- en diersoorten.”

Het Oostvaardersplassengebied bestaat uit een moerasdeel (1800 ha) en een grazig deel (3600 ha). Het waterpeil in het moerasdeel ligt hoger dan in het grazige deel, en rond het gebied ligt een ‘kade’ om te voorkomen dat het gebied uitdroogt. Begrazing door ganzen zorgt voor de afwisseling tussen rietvegetatie en ondiep open water. In het grazige deel komen droge en vochtige tot natte graslanden voor, en hier en daar  liggen wat poelen. In het moerasdeel komen een paar grote ondiepe plassen voor: Grote Plas, Keersluisplas, Hoekplas en Aalscholverbosplassen. Dit is vooral een rust-, voedsel- en broedgebied voor water- en moerasvogels; er zijn al bijna 250 soorten waargenomen. Ook zit hier een van de grootste aalscholverkolonies van Europa.

In een periode van drie jaar wordt het waterpeil in het moerasgebied aanzienlijk verlaagd, daarna zal het weer geleidelijk stijgen. Er wordt gestreefd naar een dynamisch waterpeil, zoveel mogelijk zonder menselijk ingrijpen. In het grazige deel komen vispassages voor een verbinding van het water binnen en buiten het gebied voor onder andere driedoornige stekelbaarzen, deze zijn namelijk de belangrijkste prooi voor Lepelaars. Een aantal plassen wordt minder diep gemaakt en er worden poelen gegraven met een variabele diepte. In de afgelopen decennia is voor de ontwikkeling van de Oostvaardersplassen de waterhuishouding verschillende keren veranderd, met drogere en nattere fasen. Door de aanleg van dammen en stuwen zijn compartimenten ontstaan met een verschillend waterpeil.

De vis-biomassa in de Oostvaardersplassen bestaat voor 80% uit volwassen karpers. Er zijn nauwelijks predatoren van volwassen karpers en door het ontbreken van een verbinding tussen de Oostvaardersplassen en de omgeving (Lage Vaart / Markermeer) is er vrijwel geen vismigratie. Door het woelen door karpers, het grazen van ganzen en door de wind wordt slib opgewerveld en wordt het water troebel. Wanneer de waterstand wordt verlaagd zal een deel van de aanwezige karpers sterven. Als daarna de waterstand weer stijgt zal dit water weer helder zijn wat kansen geeft voor kleine vissoorten.

Helder water is echter ook gunstig voor zichtjagende viseters zoals dodaars, zilverreiger, roerdomp en woudaap dus na verloop van tijd zullen de karpers weer gaan domineren en kan de situatie zich weer herhalen. Wanneer deze situatie dus langere tijd dynamisch is zal de samenstelling van de visstand over een langere periode divers zijn. Er is tot nu toe geen peilbesluit van het waterschap voor de Oostvaardersplassen, in het moerasdeel wordt gestreefd naar een dynamische situatie met fluctuaties van het waterpeil als gevolg van neerslag en verdamping, samen met een permanente afvoer van beperkte omvang. Menselijk ingrijpen is daarbij niet nodig.

Het huidige aflaatwerk van het moerasdeel functioneert nu onvoldoende in variaties binnen seizoenen en binnen jaren. Het broed- en foerageer oppervlak voor veel vogelsoorten is afgenomen. Geleidelijke waterstandverlaging in het gehele moerasgebied moet de ontwikkeling van vegetatie en (kleine) visfauna stimuleren. Slibputten worden uitgebaggerd; na de waterstandverlaging kan een deel van de visfauna daar naartoe gaan. Na de periode van waterstandverlaging zal het waterpeil dus weer geleidelijk stijgen (gedurende een periode van minstens drie jaar).

Er worden vispassages aangelegd tussen de Oostvaardersplassen en de directe omgeving en tussen het moerasdeel en het grazige deel van de Oostvaardersplassen. Deze passages zijn bedoeld voor de intrek van stekelbaarzen in het voorjaar, waardoor poelen en plassen ook in het broedseizoen voldoende voedsel bevatten voor lepelaars en voor andere viseters zoals zilverreiger en roerdomp. Er worden vispassages aangelegd aan de westelijke kant via de ecozone naar de Lage Vaart en aan de oostzijde via de Waterlanden naar de Lage Vaart. De plassen langs het Oostvaardersbos worden minder diep gemaakt, omdat dit gunstig is voor waadvogels zoals lepelaars. Plaatselijk kunnen diepere plekken worden gehandhaafd t.b.v. de visstand. De grond die nodig is voor het verondiepen wordt verkregen door elders in het grazige deel (de Broeklanden) ondiepe poelen te graven.

In een aantal poelen of watergangen kunnen ondieptes zich ontwikkelen tot kleine eilandjes met riet of lisdodden, die een broedgelegenheid zijn voor dodaars en porseleinhoen. Voor de meeste waadvogels en eenden is het juist van belang dat de vegetatie langs de oevers van de poelen kort wordt gehouden door de grote grazers. Rieteilanden in poelen met weinig of geen vis kunnen leiden tot grote aantallen libellen en groene kikkers die een potentiële prooi zijn voor dodaars, zilverreiger en lepelaar. In het grazige deel kunnen kieuwpootkreeftjes worden geïntroduceerd: deze soort komt voor in periodiek uitdrogende poelen (zonder vis). Deze kreeftjes kunnen dienen als voedsel voor lepelaars. Omdat kieuwpootkreeftjes specifieke eisen stellen aan hun leefomgeving moet eerst bepaald worden of de poelen in het grazige deel hieraan kunnen voldoen.

 

Verplaatsen van karpers naar het Markermeer

Als gevolg van de peilverlaging in de Oostvaardersplassen is er met een waterdiepte van 60 cm onvoldoende ruimte voor de 500 ton vis die er nu rondzwemt. Daarom is in 2018 onderzoek gedaan naar de uitzet van karpers in het Markermeer. Sportvisserij Nederland heeft berekend dat een deel van de karpers naar het Markermeer kan worden overgebracht, zonder dat dit zal leiden tot een verslechtering van de huidige visstand en de waterkwaliteit. Het zich eventueel verplaatsen van de in het Markermeer uitgezette karpers naar de heldere en waterrijke zuidelijke randmeren (Gooimeer, Eemmeer, Nijkerkernauw) wordt als een risico gezien voor de waterkwaliteit.

In 2018 zijn daarom 70 karpers vanuit de Oostvaardersplassen naar het Markermeer verplaatst. Deze karpers zijn voorzien van een zender en ook van een uiterlijk kenmerk, zodat ze herkenbaar zijn voor vissers. Gevangen karpers moeten worden teruggezet (wel even melden aub). Uit het onderzoek is gebleken dat 80% van de verplaatste karpers zich nog steeds in het Markermeer bevond. De voorlopige conclusie is daarom dat het Markermeer voor de uitzet geschikt is. Als deze conclusie in het verdere onderzoek overeind blijft, zal ongeveer 150 ton vis uit de Oostvaardersplassen naar het Markermeer worden verplaatst. Het onderzoek wordt uitgevoerd door Sportvisserij Nederland samen met Staatsbosbeheer en de provincie Flevoland.

 

Beheerplan voor het Oostvaardersveld

Er is een beheerplan 2015-2020 van Staatsbosbeheer voor het Oostvaardersveld. Dit gebied grenst aan de Oostvaardersplassen en wordt begrensd door de spoorlijn, de snelweg, de Praamweg en de Knardijk. Het gebied bestaat uit open water, plas-drassituaties, rietzones, ruigtevelden, korte grasvegetaties en loofbos. Alle wateren in het gebied dieper dan 70 cm blijven zonder beheer open. Delen van watergangen ondieper dan 70 cm zullen zonder beheer begroeid raken met riet en op termijn verlanden en verbossen. Begroeiing is een geschikte beheervorm om ervoor te zorgen dat er voldoende open water blijft, in combinatie met waterinlaat in de winterperiode. Indien de begrazingsdruk te laag is, kunnen eventueel delen van de vegetatie worden gemaaid, zodat gedurende de voor- en najaarstrek de ondiepe oeverzone beschikbaar is voor doortrekkende eenden, ganzen en steltlopers. In het gebied wordt water ingelaten vanuit de Oostvaardersplassen en alleen in dringende gevallen vanuit de Lage Vaart. Het water in de Oostvaardersplassen en het Oostvaardersveld is voornamelijk afkomstig van regenwater. Het is voedselrijk (fosfaatrijk) door de grote aantallen vogels.

 

Project Oostvaardersoevers

In het Markermeer en het IJsselmeer is de visbiomassa in de periode 1980-2016 duidelijk afgenomen. Zie voor de oorzaken hiervan het artikel “Visstand IJsselmeer-Markermeer: gedeelde werkelijkheid”, op de website van Sportvisserij Nederland. Er wordt daarom uitgezocht of de visstand in het Markermeer verbeterd kan worden door aansluiting op de Oostvaardersplassen en de Lepelaarsplassen. Hierbij zijn verschillende overheden en andere instanties betrokken. Het Markermeer is voedselarm maar de Oostvaardersplassen en de Lepelaarsplassen zijn voedselrijk. Er is een hoogteverschil van circa 4 meter tussen het peil van het Markermeer en het peil van de Oostvaarders- en Lepelaarsplassen, voor het opheffen van deze barrière zijn daarom maatregelen nodig. Er ontbreekt nu een overgang tussen de gebieden van diep naar ondiep water.

Wanneer de doorstroming tussen de plassen en het Markermeer wordt verbeterd kunnen de vissen makkelijk heen en weer zwemmen en door de verbinding ontstaat er meer diversiteit aan dieren en planten. Het project, waarover nog besluiten moeten worden genomen, wordt Oostvaardersoevers genoemd. Informatie hierover staat op de website markermeerijmeer.nl al is nog lang niet duidelijk hoe ze de verbinding willen realiseren. Vooroevers aan de randen van het Markermeer bieden een kans voor waterplantminnende vissoorten (zoals ruisvoorn, snoek en zeelt) maar ook voor andere organismen ontstaat er door ondieptes en vooroevers een geschikt leefgebied. In moerassen kan slib bezinken en deze moerassen bieden een paai- en opgroeigebied voor verschillende vissoorten zoals blankvoorn, baars en snoek.

C5502C The Netherlands, Lelystad. National Park called Oostvaardersplassen. Aerial.